Jongenspret tijdens de oorlog

Als kinderen tijdens de oorlog op Ameland hadden wij toch ook veel pret onder elkaar.

Op een morgen gingen Bertus, Voley en ik Kievitseieren zoeken in de miede (weide) bij de grieboer. Kievitseieren werd vaak gegeten. Ik sprong over een sloot en greep met beide handen een paaltje aan de andere kant van de sloot maar dat brak spontaan af, met gevolg dat mijn voeten op de walkant stonden, maar mijn rug zweefde boven de sloot, het paaltje bleef hangen aan het prikkeldraad.

De jongens lachten zich slap over deze gymnastische toer, na herhaaldelijk gezegd te hebben dat zij mij aan de andere kant overeind moesten trekken, daar ik anders in de sloot zou vallen en drijfnat zou worden, werd er uiteindelijk actie ondernomen en met een goede afloop, maar de lachbui was nog steeds gaande.

Op een Zaterdag ging ik met een stel jongens langs het heideveld (helaas is dat door de ruilverkaveling verdwenen) naar het Engelsman Duin waar we door een opening in de prikkeldraadversperring het Reddingsbootpad namen naar het Noorderstrand.

duinen 3

Het lag er bezaaid met brandbommetjes, mijnen en ander oorlogstuig. Wij raakten niets aan en bleven uit het zicht van vuurtoren want de Duitsers hadden daar een sterke kijker geïnstalleerd. Toen wij terug naar het dorp liepen, stuiten wij op een oefening van de Duitse soldaten, ze hadden hun gezichten met zwarte vegen toegetakeld en zaten achter hagen of muurtjes van de huizen en boerderijen, en schoten met losse flodders. Wij gingen er meteen achteraan en raapten de koperen hulzen op. Toen kwam er een soldaat aan, die altijd met paard en wagen rond reed. Het was de Oostenrijker die ik ook vaak in De Kuul had ontmoet, maar nu deed hij mee aan de oefening. Vanuit hun schuilplaatsen gooide de soldaten kunstbommen achterin de wagen, het was net vuurwerk, en wij vonden het een leuk spelletje en slopen achter de soldaten aan, die er niets van zeiden.

Ik speelde vaak in De Kuul met Sietse en meestal was Nico er ook, hij was een jongen uit Rotterdam maar was in korte tijd helemaal Amelander geworden. Hij was opgenomen in het gezin van Barend, de molenaar, en zijn vrouw Trijntje. Wij speelden vaak indiaantje en spraken dan onze namen achterstevoren uit. Sietse was Esties, Jan was Naj, Nico was Ocin. We gingen ook wel eens met Nico mee naar de molen, waar de oude molenaar aan het werk was, een paar dagen in de week bij wind draaide de molen. De boeren kwamen met paard en wagen onderin de molen, en met een touw en een haak werden de zakken graan naar boven gehesen. De zak passeerde twee halve luiken in een vloer, die door de zak open gingen en weer dicht vielen als de zak voorbij was. We gingen de ladder op en zagen de oude molenaar met een wit meel gezicht de zakken in een houten trechter legen, vandaar werd het graan op de molensteen gestrooid om tot meel gemalen te worden. De zakken meel gingen weer met het touw naar beneden. Boven ratelden de houten tandwielen en knerpte de as van de wieken, al snel zagen wij wit van het meel, dus beneden gekomen was kloppen en vegen geblazen. Bij bakker de Boer kreeg je voor ieder brood wat je haalde een kerfje op de kerfstok waar je naam opstond. En als je uiteindelijk wilde afrekenen werden alle kerfjes geteld en berekend. Veel boeren maakten zelf hun brood klaar, meestal roggebrood. Eén keer in de week kon je dat laten bakken bij bakker de Boer. Je zag vaak een boer voorbij fietsen met één hand omhoog, waarop hij een plankje balanceerde waar een grote kluit deeg op lag.

Ook ging ik wel eens op de West hoek bij twee broers die veel visten, een bakje garnalen halen. Thuis gekomen moest iedereen helpen pellen, en dat was niet zo gemakkelijk, in het begin braken zij steeds af bij de staart, maar later, met wat oefening, ging het beter. De garnalen werden dan gekookt waarna we ze aten met wat zout en peper op brood: een echte garnalen smaak, dat was smullen.

Een keer na schooltijd, ging ik met mijn broertje Anton naar her bos rond de vuurtoren, we hadden een bijltje bij ons, want je mocht van de Duitsers de lage taken van onderuit de dennenbomen hakken, voor brandhout. Er waren al meer jongens bezig, die maakten een bos takken met een touw erom heen. Maar ik dacht, dat zal ik even makkelijker doen. Ik zocht een niet al te dikke boom uit, en keek om mij heen, zag niemand, ook geen enkele Soldaat. Ik hakte de hele boom om, en zei tegen de andere jongens dat ze de takken mochten hebben. Toen stond er ineens een Duitse soldaat achter mij, die tierde en raasde. Ik zei in mijn beste ‘Duits’ dat het een grote zijtak was, de jongens gierde van de pret, de Duitser stapte op mij af en snauwde: ” Heraus, heraus Sweinehund”. dus vertrok ik maar. Mijn broer Anton had inmiddels de bijl al weggeschoven met zijn voet. Later toen de Duitser was vertrokken sleepte Anton en ik de stam naar huis.

Op een dag was ik de Zuiderlaan afgelopen en ging de lange weg door weiden naar de waddendijk. Er was daar een wachthokje voor een schildwacht, maar er was niemand. Ik keek naar binnen, er stond een kacheltje en een kistje met kolen. In de verte zag ik malle Ietske met een stok de koeien weg jagen, zij liep met een mand op haar rug, waar ze de gedroogde koeien vlaaien in verzamelde. Ik liep verder, een eind de dijk op in de richting van het Reddingsboot pad, naar het Zuid West, en zag dat er een mijnenveld was aangelegd op het vlakke gedeelte, waar de dijk ophield en de duinen begonnen. Er waren op het hek driehoekige gele bordjes op de palen getimmerd met een afbeelding van een doodskop erop. Op de terugweg  kwam ik weer langs het lege wachthokje gelopen, en besloot het kistje met kolen maar meetenemen, ik dacht het goed gebruikt kon worden voor oma’s fornuis. Thuis gekomen moest Opa wel lachen en zei: ” Die Duitsers hebben het ook van ons gestolen, maar jonkie kijk uit dat ze het niet zien.”

 

 

Advertenties