Voorwoord

Ons gezin bestond uit mijn ouders Aukje Ponne de Wind en Sjoerd Ponne, mijn broer Anton Ynze en ik zelf Jan Ponne.  Mijn vader was werkzaam bij the Militaire Politie en was gestationeerd in Den Haag, waar wij woonden.

Mijn moeder had veel familie op Ameland, en was daar geboren in de herberg “ De Zwaan” (10-08-1909).  Zomers gingen we vaak naar Ameland met vakantie en verbleven daar in het zomerhuisje ‘Zeekraal’.  Het was van mijn tante Grietje de Wind en het stond in de duinen aan het einde van de Badweg in Hollum.

huisje 2

De familie de Wind was naar Amsterdam vertrokken en woonden toen in de Saar Peterstraat.  Mijn grootvader Ynze de Wind was bootsman bij de Koninklijke Hollandse Lloyd en kreeg later een ongeluk bij een val in een ruim van een schip.  Hij hield daar een ongelukkig been en rug van  over.  Toen was het leven op zee dus gedaan, en de familie de Wind verhuisde naar Tuindorp  Oostzaan (Amsterdam -Noord) waar ik vaak logeerde en speelde met mijn nichtjes Annie en Greetje de Wind.

TOEN WAS HET ZOVER

De Meidagen van 1940 waren het begin van de tweede wereld oorlog.  Ieder die het beleefde, als bewust kind of volwassene, zit boordevol herinneringen.  Het was 10 Mei, 1940, ik zou aan het einde van deze maand 8 jaar worden en Anton mijn broer 5 jaar in September. Moeder had wel eens gezegd:  “ Toe jongens eet je bord leeg, want er komt misschien een tijd dat je niets meer te eten krijgt”. Op een morgen werden we al vroeg wakker.  We hoorden allerlei geluiden van buiten.  Moeder kwam bij ons, en zei: “Nu is het zover, het is oorlog, de Duitsers zijn bezig ons land te bezetten”. We keken door het raam, en zagen grote vliegtuigen heel laag overvliegen, er sprongen allemaal militairen uit, overal hoorde je schieten. We zagen een Hollandse soldaat aankomen fietsen, hij gooide de fiets op de straat en schoot uit onmacht met zijn geweer op de vliegtuigen.  Mijn vader Sjoerd was bij de Politie troepen en was die nacht niet thuis gekomen. Die nacht was er een spoed beraad van de generalestaf.  Bij afloop stapte één van de officieren op mijn vader af, en zei:” het gaat nu gebeuren, dus uiterste waakzaamheid is geboden”. De volgenden dagen werd het steeds erger met het schieten zodat de ruiten van ons bovenhuis (2de verdieping) trilden.

Vailliantlaan

Vailliantlaan in Den Haag.

Moeder knipte stroken papier en plakte die op het glas zodat er allemaal kleine ruitjes ontstonden.  Dat was om breken te voorkomen.  Op 13 Mei verliet de Koningin Den Haag per auto, om half tien in de morgen vooraf gegaan door een auto met militaire politie, ook vader was bij deze begeleiding, naar hoek van Holland waar een oorlogsschip klaar lag om Hare Majesteit naar Engeland te brengen.  Vader kreeg ook het aanbbod om mee to gaan, wat hij echter afmoest slaan, omdat hij zijn gezin zou moeten achterlaten, wat natuurlijk begrijpelijk was. Het was geen gemakkelijk afscheid.  Wat zal er zijn omgegaan in de geest van onze bijna zestig jarige vorstin toen ze op dat ogenblik belaagd door de troepen van Hitler, haar residentie, haar paleis moest verlaten ?

Neen, ‘t was geen vlucht die U deed gaan Maar vogen, waar God riep: ‘k vraag niet wat in U is doorstaan Een strijd, hoe zwaar, hoe diep Wij knieen naast en met U neer, tot God de blik, de hand; Geef Neerland aan Oranje weer Oranje aan Nederland En kome dan was komen mag W’aanbidden, zwijgen, stil, De nacht zij zwart, omfloerst de dag, geschiede, Heer, Uw wil !

– Geschreven door Ds. Welter. Dit gedicht circuleerde illegaal door het land.

De volgende dag werd het steeds erger met schieten, zodat we vaak naar buiten keken.  We zagen een vliegtuig neerstorten.  En militairen door de weilanden sluipen, hier en daar werd een huis beschadigd door kogels of scherven.  Op 14 Mei hoorden wij om één uur via de radio van het vreselijke bombardement op Rotterdam, het was één grote puinhoop en een er was grote brand in het centrum.  Bijna duizend Rotterdammers kwamen om door de bommen of in de vlammen.  Wie er nog leefden, kropen te voorschijn, en snelde uit hun huizen – weg ! De stad uit ! Om 7 uur ’s avonds hoorden we dat de Duitsers ook Utrecht wilde bombarderen, toen had Generaal Winkelman die enige keus om het bloed vergieten te voorkomen, en dat was  ‘caputileren’. Wij gingen naar kennisen, die wat minder gevaarlijk woonden.  Wij woonden aan de buitenkant van de stad we keken over de weilanden, en in de verte zag je  de kassen van het westland.  Vader kwam de eerste dagen nog niet naar huis en had het erg druk.  Na een paar dagen zijn we weer eens naar ons huis gaan kijken, via een andere weg zodat we niet langs de buitenkant van de bebouwing hoefden te lopen zodat we niet geraakt zouden worden door scherven.  Vlakbij onze straat gekomen, gingen de sirenes, het lucht alarm, we schuilden in een portiek waar nog meer mensen schuilden.  Er was een lucht gevecht met twee jagers.  Het was schieten en gieren.  Toen het veilig signaal afging zijn we naar ons huis gegaan.  Alles was nog het zelfde, we hoorden dat er erg gevochten was aan de Grebbeberg, wat veel soldaten hun leven had gekost.  Na de overgave van Nederland werd het wat rustiger.  En vader kwam ook weer thuis en deed zijn uniform voorgoed uit, en werd nu burger ambtenaar, voor het afwikkelen van diverse zaken voor het departement van defensie.  De mensen gingen nu eten hamsteren, want niemand wist hoe de toestand zich zou ontwikkelen. Ik ging weer naar school en we begonnen al gauw te wennen aan de macherende Duitse soldaten met hun hoogste lied. Op Ameland werd het zomershuisje van tante Griet in de duinen gevorderd door de Duitsers, dus konden we daar niet meer vertoeven.  De duinen en het dennenbos werden afgezet met prikkeldraad versperringen. Toch gingen we met moeder en tante Griet naar Ameland voor vakantie.  We logeerden bij oude tante Brouwer (Bleeker).

huiA TANTE BROUWER

Het voormalige huis van ‘tante’ Brouwer.

Ze was geen echte familie van ons, mijn oma Antje de Boer was bij haar groot gebracht.  Ze woonde in he steegje achter de herberg De Zwaan in Hollum. Op een avond werd ik wakker, en zag dat moeder en tante Griet op hun knieen door een kier in de zoldervloer lagen te kijken, naar wat onze tante toch aan het doen was beneden. Zij was uit de bedstede gekomen en had het licht aangedaan, en was bezig om een lekker boterhammetje te creeren en te consumeren.  Toen werd er hard op de deur gebonst en een stem riep “Licht aus … Licht aus”. Tante murmelde “ ja, ja –  ja, ja” Tante Griet riep uit het trapgat toe “Tante doe het licht uit “. Men mocht s’avonds geen licht zien buiten, zodat geallieerden vliegers niet konden zien dat ze boven een bewoonde streek vlogen.

Grietje de Wind

Grietje de Wind

Op Ameland was het vrij rustig.  De boeren verbouwden nu ook graan, aardappelen en groenten enz. enz.  en op het wad werd nog gevist. Er was nog eten genoeg. Weer terug in den Haag, kon je merken dat de stemming beklemmerder werd.  De Duitsers plunderden de pakhuizen en het eten werd schaarser.  Bij een bezoek van ons aan Opa en Oma de Wind in Tuindorp Oostzaan, zei mijn vader op een avond, dat het tijd werd dat ze naar Ameland gingen verhuizen nu het nog kon, voor dat de algehele toestand erger zou worden in de grote steden.  Tante Griet die bij hun inwoonde zou blijven, dus ging de verhuizing via gebroeders Bruin naar Ameland, naar het huisje uit 1604 in Hollum. Toen brak de tijd aan dat alles geoorloofd was vanwege minder voedsel en verwarming.  Na schooltijd trok ik oude kleren aan en ging er op uit.  Er werden bomen gekapt, tuinhuisjes afgebroken, op een klein kacheltje kookten we suikerbieten tot stroop, en het overblijfsel was een glazige pulp die we mixten met spruitjes of andere groenten, die moeder had geplukt bij een tuinder in het westland, ze ging daarheen met een paar andere buurvrouwen op fietsen zonder banden, de groente werd in linnen zakjes gedaan en onder hun kleding verborgen, zo dat ze door een controlle punt werden doorgelaten.  Als de Duitsers iets vonden werd dit aan de kant van de weg gegooid. Vader reiste veel en als hij in Limburg kwam kocht hij graan, brood  en ander voedsel. Moeder’s broer, Willem de Wind, woonde ook in Tuindorp Oostzaan, op het Oriom Plantsoen.  Daar kwam laat in de avond een vrachtauto voor de deur, er zaten twee koeien in, die voorzichtig uitgeladen moesten worden, en geruisloos de achtertuin ingeloosd werden, om dan klandestien geslacht te worden.  Op de één of andere manier ging er iets mis, en de koeien gallopeerden door het plantsoen, het werd een jacht door de onverlichte bebouwing. De kunst was om zonder geluid of lawaai de koeien weer te vangen wat met twee man een hele toer was, en veel tijd koste.  Het was rennen door straatjes, tuintjes, heggen en  perken, totdat ze eindelijk vast gebonden in de tuin stonden.  De koeien werden één voor één via de keuken naar de woonkamer geleid, de meubels waren in een zijkamertje geschoven en het vloerkleed was opgerold. Dan werd het schietmasker op de koe zijn kop gehouden, en met een tik viel de koe op de vloer.  De tweede koe kwam vlak naast de eerste te liggen.  Het was hard werken: villen, snijden, zagen en de huid en ingewanden in de tuin te brengen.  Bonken vlees werden in het schuurtje opgeborgen.  En dan werd de kamervloer gesopt, en voordat het licht werd was alles aankant en de meubels stonden weer op zijn plaats.  De vracht auto was verdwenen.  De komende dagen werd er in het schuurtje hard gewerkt om de bonken vlees in normale porties te snijden.  Vader Sjoerd ging met een grote koffer naar het geimproviseerde slachthuis, en vulde de koffer met pakjes vlees, zodat hij hem nog net kon tillen. De reis Amsterdam – Den Haag verliep goed, maar toen vader de fiets uit de stalling haalde, en de koffer op de bagagedrager zette om zo naar huis te fietsen, kwam daar ineens een man aan van de crisis controlle dienst, en vroeg wat er in de koffer zat.  Vader zei kleding.  Goed, zei de man, wilt U mij maar even volgen enz. enz.  Later moest vader voor de rechter komen, die vroeg waarom vader dat vlees had vervoerd.  Vader zei omdat mijn gezin het nodig had, en de rechter vroeg van wie vader dat vlees had gekocht, waarop Vader zei dat een onbekende het hem had aangeboden.  “O ! “ zei de rechter, “ Dat is die bekende onbekende weer”.  Hij gaf vader een kleine geld boete, dit keer was het dus een goede Nederlander. Er waren eigenlijk wel veel slechte  Nederlanders (collaborateurs) Je kon je collegas of buren niet meer vertrouwen.  Velen zijn gestraft, daar was vader ook druk mee na de oorlog.  Maar velen zijn hun straf misgelopen, en al had de Koningin gezegd op de Engelse radiozender, dat er voor die mensen geen plaats meer zou zijn in de maatschappij, na de Oorlog kwam je ze later tegen, en hadden ze vaak een goede baan en de nodige praatjes. Op een nacht hoorden we plotseling een luid sissend en gillend geluid over ons dak gaan, gevolgt door een dreun en een hoop geraas en toen was het stil.  De volgende morgen zagen we in een straat vlakbij ons in het midden van een rijwoning dat er een granaat was ingeslagen, de voorgevel was totaal weg geblazen.  En in het huis lag allemaal puin van de tussen muren en het plafond.  Het gekke was dat er geen doden waren.  De mensen waren met bed en al de straat op geblazen. Het was op een andere nacht, dat ik en Anton recht op in bed gingen zitten, door de gordijnen zagen we een fel licht, en we hoorden een enorm geknor van een soort motor.  Moeder kwam bij ons, en we keken naar buiten en zagen een soort raket die met een uitlaat een sliert rook en vuur achter zich om hoog ging, en toen horizontaal ging liggen en in een bepaalde richting draaide, en toen wat rustiger al pruttelend zijn reis begon. We hoorde de volgende dag dat dit de gevreesde V2  was, die de Duitsers hadden ontwikkeld en ingezet tegen de Engelsen.  Zij werden notabene afgevuurd vanuit het bos Okkenburg wat niet ver van ons vandaan was.

DE  RAZZIAS

Buurman Noordam had bij ons een luikje gezaagd in het gipsplafon en wel in de W.C.  Het idee was om op de zolder te komen (die weggetimmerd was), en wij, die op de bovenste verdieping woonden konden er zo gebruik van maken, je moest wel van balk op balk lopen anders ging je door het plafond.  In Mei 1944 was ik 12 jaar en Anton 9 jaar. Vroeg in de ochtend werden we gewaarschuuwd dat de straten werden afgezet door de Duitsers en dat ze Razzias gingen  houden in onze buurt.  Toen gingen mijn  vader, buurman Noordam en een kennis van Rinus en Aaltje Roest op de zolder schuilen. Het luikje ging dicht en moeder plakte het hele plafond weg met wit papier en stijfsel zodat je geen luikje meer kon zien.  Een half uurtje later werden alle toegangen afgesloten van onze straat.  Toen gingen de soldaten in groepjes van huis tot huis om te kijken of er bruikbare mannen te vinden waren.  Toen de deurbel ging deed moeder open, door middel van een koord dat naast de leuning hing in het trappen huis.  Twee  soldaten kwamen naar boven.  Eén vroeg of er mannen thuis waren.  Moeder zei nee, en hij liep drie deuren voorbij, en opende als eerste de w.c deur.  Het flitste door moeders hoofd: ” We zijn verraden.”  Zoals als afgesproken zat ik op de w.c. De soldaat zag mij zitten en zei “ach”, en deed de deur weer dicht en keek toen in de woonkamer en de keuken en kwam toen in de slaapkamer waar een uniform jasje van vader op een stoel hing, moeder zei dat vader bij de Politie was, en dat hij deze nacht niet thuis was gekomen. Waarop de Duitser zei, “ Je man komt wel weer thuis.” en ging toen met de andere soldaat naar beneden en trok de deur achter zich dicht.  Ik kwam nu weer van mijn  zetel af.  We hebben toen voorzichtig achter de vitrage naar buiten gekeken, en zagen hoe een militair zijn pistool aan het laden was.  Toen kwamen er meer sodaten aan gemacheerd en tussen hun in een stel mannen die ze hadden gevonden.  Ze hadden allemaal een tas met spullen bij zich.  Opeens zagen we een man tussen hun in, die wij de burgemeester noemden.  We zagen hem vaak op zaterdag in N.S.B uniform voorbij lopen.  Nu kon die in Duitsland wapens maken voor Adolf Hitler.  Boven op zolder was een beklemmende atmosfeer.  De minuten leken uren.  De mannen hadden de w.c. deur open en dicht horen gaan, en de Duitser met moeder praten, en de voetstappen van de laarzen weer verder gaan. Ook hoorde ze de geluiden van buiten,, maar toen gingen de  voetstappen de trappen af en de deur werd dicht gedaan.  Later gaf moeder het veilig sein met de zwabberstok tegen het luik.  Het werd al schemerig toen de Duitsers en hun gevangenen weg macheerden.  Het zolderluik werd door moeder open gesneden en de mannen konden nu weer met de keuken trap naar beneden.  Behalve de heer Moes, die kreeg een emmer water en een handdoek aangereikt.  Hij had de spanning niet vlekkeloos doorstaan. Op 17 September, 1944 werd er vanuit Londen opdracht gegeven voor een spoorwegstaking.  De bezetters lieten toen 4000 man, spoorweg personeel uit Duitsland komen, maar zij hadden de kolen nodig uit Limburg voor electrisch gebruik, zoals verlichting en telefoon en andere noodzakelijke dingen voor de weermacht, en voor de watergemalen . Vanaf Oktober was er geen gas en geen electra meer in het Westen van het land.  Alle transport van voedselvoorraden naar het westen werd verboden als strafmaatregel tegen de spoorweg staking.  Rijkscommisaris Seyss-Inguart  voerde dit uit.  Dan volgden er twee masale Duitse acties in de sombere herfst.  Haven stalaties van Amsterdam en Rotterdam werden vernield, tramwagens verdwenen, Nederland werd geplunderd.  Machines en bedrijfsvoorraden gingen naar Duitsland.  Overal moesten mannen tussen 16 en 60 jaar zich melden voor graafwerken.  Wie niet zich melde, en bij huiszoeking werd gevonden, werd gestraft.  Er werden mannen doodgeschoten.   De Duitsers hadden 120,000 mannen opgepakt, waarvan meer dan duizend om kwamen, en ongeveer een kwart kwam in een kamp voor dwang arbeiders terecht in Duitsland, waar later honderden zieken waren en onder de luizen zaten.

Begin October was het honger randsoen in het westen van het land per persoon, per week: één kilo aardappelen, één brood van zeer slechte kwaliteit.  Vader ging nu niet meer op reis.  De passagierstreinen reden niet meer.  Dit was een grote strop voor ons.  We zaten in het slechtse gedeelte van Holland, omdat de Duitsers alle voedseltransporten hadden geblokkeerd.  Ze zouden ons gras laten vreten zeiden zij.  Het werd zeer kritiek voor ons, en er stierfen al veel mensen van de honger.

Advertenties

Tante Cor

Verteld door Jan Ponne

Tante Cor (Cornela de Wind), een zuster van mijn moeder (Aukje de Wind-Ponne), was verpleegster in Amsterdam.  Tijdens de tweede Wereld Oorlog kreeg zij toestemming van de Duitse Commandant, om op Ameland te komen werken.   Het is mij niet bekend of zij met het kindertransport was meegekomen, of dat zij op een andere gelegenheid was gearriveerd.  Kort na haar aankomst, brak er een difterie-epidemie uit in Hollum. Toen werd Herberg de Zwaan tijdelijk als verzorgingstehuis in gebruik genomen, waar tante Cor de verzorging uitvoerde. De patienten mochten niet met andere mensen in contact komen, vanwege het besmettingsgevaar.

de zwaanHerberg De Zwaan

Ik weet nog dat mijn moeder Aukje de was deed in het huisje van Opa en Oma (Ijnze en Antje de Boer – Burgerstraat 8, Hollum). Het was niet zo makkelijk om dit daar te doen, maar zij nam alle voorzorgen om besmetting tegen te gaan.  Soms zag je een groep patienten onderleiding van Tante Cor in het veld wandelen.   Toen de epidemie over was, werd de herberg De Zwaan gevorderd door de Duitsers, en in gebruik genomen door officieren.  Zij hadden een mooi leventje.  Na de dienst uren zag je ze zitten met een drankje terwijl ze een krant lazen, of stapten zij op hun fiets met een geweer over één schouder om te gaan jagen in de duinen.  Vaak rook ik de braad lucht van het wild als ik over het Zwaneplein liep.  Eens keek ik met Bertus Engels door de zijramen van de keuken, en wij zagen dat Friese meiden de borden opmaken. Het zag er allemaal lekker uit.

Tante Cor kreeg een uitnodiging om een bunker in de duinen te bekijken, die helemaal als een ziekenhuisje was ingericht.  Toen zij in de auto stapte, kreeg ze voor de rit er naar toe, een blinddoek voor, die afgedaan werd toen zij in de bunker was.  Na de rond leiding werd het zelfde herhaald.   Na de Oorlog hebben we nooit gehoord dat deze bunker is gevonden.  Misschien is het weggewerkt onder het zand.

Na de epidemie, verliet tante Cor De Zwaan, en ging zij weer verder met verplegen in het dorp.  Na de bevrijding is zij een bejaarden tehuis begonnen in het dorp, dicht bij het reddingsboot pad aan de Bad Weg, en ook haar zus tante Griet (Grietje de Wind) kwam uit Tuindorp Oostzaan naar Ameland, om in het tehuis te helpen.  Behalve het zware werk, en de soms lange uren, was het financieel en zonder overheidssteun, een moeilijke onderneming.

Later ging tante Cor met haar dochterje Antje Yeltje Bloem weer naar de wall, en tante Griet bleef op Ameland, en zij ging bij haar ouders wonen, en verzorgden de oudjes, en gaf nog les op school in handwerken, en heeft later het huis geerft. Huis griet post

Leven op Ameland najaar 1944

AANKOMST OP AMELAND NAJAAR 1944

Mijn Moeder Aukje de Wind-Ponne, mijn broer Anton en ik waren op onze vlucht van Den Haag naar Ameland op wonderlijke wijze geholpen. Na alle honger, koude, en ellende tijdens de oorlogen jaren in Den Haag, waren wij in het najaar van 1944 aangekomen bij onze grootouders Antje de Boer en Ynse de Wind in Hollum. Anton was negen jaar oud en ik 12 . Deze herinneringen zijn gezien door de ogen van een 12 jarige jongen.

Amelandse families konden zich opgeven om kinderen van de wal in huis te nemen. Ook onze nichtjes Annie en Greet de Wind hadden het geluk dat zij met het kindertransport van Rotterdam en Amsterdam naar Ameland meekonden, hun kleine broertje Ynse de Wind bleef in Tuindorp Oostzaan tijdens de oorlog bij zijn ouders Willem en Berta de Wind. De Duitsers hadden toestemming gegeven voor dit transport om met een boot via het Ijsselmeer naar Ameland te varen en daar te verblijven.

Nichtje Greetje de Wind werd ondergebracht bij oom Piet en tante Trienke de Boer, die woonden in de bakkerij, daar werd zij verzorgt door de twee dochters An en Aukje de Boer, maar ze was natuurlijk veel bij ons over de vloer. Haar zusje Annie woonde bij ons in het huisje van Opa en Oma.

neven en nichtjes

Van links, Anton Ponne, Greet de Wind, Annie de Wind en Jan Ponne in Hollum een paar jaar voor de oorlog.

Er werd besloten om ons naar de Christelijke basis school te laten gaan in Hollum. Er waren twee lokalen, de kleintjes bij de juf en de rest bij de meester. Na schooltijd trok Anton meestal met de nichtjes op en ik speelde vaak met jongens van mijn leeftijd, Bertus Engels en Voley Dok. Op ’s woensdagsmiddags vanuit school ging ik veel met mijn neefje Sietse de Boer mee naar boerderij De Kuul van zijn ouders Kees en Pietje de Boer woonden, wij  kregen wij een maaltijd van bruinenbonensoep met drijfijs, een varkenskluif en worst. Heerlijk was dat, als toetje hadden wij suupengortenbrij, (karnemelkspap) en daarna moesten wij wat klusjes doen op de boerderij, of in het land, later in de middag gingen wij dan spelen.

Wat als kind mij opviel was dat het vrij rustig was tussen de Amelanders en de Duitsers, vergeleken met de stad, een groot verschil met het westen van het land. Af en toe hoorde je het alarm gaan in de duinen als er wat vliegtuigen over kwamen om boven Duitsland hun bommen te lossen, maar dat was meestal bij nacht. Het schieten vanuit de duinen herinnerde ons er aan dat er oorlog was. Het landschap was wat anders geworden in de oorlogsjaren, je liep tussen korenvelden er werd meer voedsel verbouwd, kortom voor ons was het een hemel vergeleken met Den Haag.

Tante Cornelia de Wind, een zuster van mijn moeder, was verpleegster in Amsterdam, en zij kreeg toestemming van de Duitse commandant om op Ameland te komen werken. Mij is niet bekend of zij met het kindertransport uit Amsterdam was meegekomen of op een andere manier naar Ameland was gereisd. Kort na haar aankomst brak er een difterie epidemie uit in Hollum. Toen werd Herberg de Zwaan tijdelijk als verzorgingshuis gebruikt waar tante Cor de verzorging uitvoerde, de patiënten mochten niet met andere mensen in contact komen omdat de bacterie erg besmettelijk was.

de zwaan

herberg de Zwaan

Toen de epidemie over was, werd Herberg de Zwaan gevorderd door de Duitse officieren.  Het leek als of ze daar een mooi leventje hadden, na de dienst zag je ze buiten zitten met een drankje terwijl zij een krant lazen. Of je zag ze op de fiets stappen met een geweer over de schouder om te gaan jagen in de duinen. Er liepen nu ook konijnen van een andere kleur rond, die door de Duitsers waren uitgezet. Vaak rook ik de braadlucht vanuit de herberg als ik over het Zwaneplein liep; eens keken Bertus Engels, Voley Dok en ik door de ramen van de keuken van de Zwaan en zagen dat Friese meisjes borden aan het opmaken waren. Het zag er erg lekker uit.

Op een dag was ik de Zuiderlaan afgelopen en ging de lange weg door weiden naar de waddendijk. Er was daar een wachthokje voor een schildwacht, maar er was niemand. Ik keek naar binnen, er stond een kacheltje en een kistje met kolen. In de verte zag ik malle Ietske met een stok de koeien weg jagen, zij liep met een mand op haar rug, waar ze de gedroogde koeien vlaaien in verzamelde. Ik liep verder, een eind de dijk op in de richting van het Reddingsboot pad, naar het Zuid West, en zag dat er een mijnenveld was aangelegd op het vlakke gedeelte, waar de dijk ophield en de duinen begonnen. Er waren op het hek driehoekige gele bordjes op de palen getimmerd met een afbeelding van een doodskop erop. Op de terugweg  kwam ik weer langs het lege wachthokje gelopen, en besloot het kistje met kolen maar meetenemen, ik dacht het goed gebruikt kon worden voor oma’s fornuis. Thuis gekomen moest Opa wel lachen en zei: ” Die Duitsers hebben het ook van ons gestolen, maar jonkie kijk uit dat ze het niet zien.”

Jur de Vries, die de vrachtdienst verzorgde op het eiland, stond met zijn auto voor het huis van opa en oma, hij laadde een luid-krijsend biggetje uit, die voor opa bestemd was. Voorbijgangers op straat lachten en zeiden: “Ynse de Wind krijgt ook een barg (varken).” Dit mocht niet zonder vergunning, en de Duitsers vorderde de varkens, dus werd er overal zwart gefokt. Op de boerderij van ome Kees was in de hooischuur, in het hooi, een ruimte gemaakt van strobalen waar twee grote varkens in liepen. Als je met een ladder op de hooiberg stond, dan kon je ze zien en horen. Dikwijls kwam een Oostenrijker met paard en kar het erf op, en dronk koffie en zei dat hij de oorlog haatte en naar huis wilde. Hij vroeg naar berichten van de Engelse radio zender. Als er bezoek was op de boerderij dan liet zoon ‘Cor’ zich niet zien, hij moest onderduiken vanwege zijn leeftijd. Zijn broer Gerrit werkte de op boerderij met oom Kees, en op een woensdagmiddag moest Sietse mee om eenden te jagen met de hond terwijl ik met Gerrit meeging; hij moest een stuk land klaarmaken voor het zaaien van zandraapjes en voerbieten. Ik zat naast hem op de machine en mocht af en toe het paard mennen, ik vond het boerenbedrijf fantastisch leuk, vooral in de winter als het koud was, dan was de stal lekker warm. De koeien werden met de hand gemolken, en de koeienmest werd door een poortje in de muur naar buiten in de gierput geschoven. Daarna strooiden we fijn stro in de groep en gaven de kalfjes wei te drinken waar ze erg gek op waren. Af en toe bij een rukwind hoorde je de windmolen, die op de nok van de stal was geplaatst door Jaap, te keer gaan. Jaap was de technische zoon van de familie, hij repareerde klokken en horloges enz. Die molen dreef een autodynamo aan die accu’s vulden die ergens in de stal waren ondergebracht. Zo brandde er ’s avonds kleine lampjes in de uren dat er geen stroom levering was.

Opa and Opoe de Wind in de tuin

Opa en Opoe de Wind voor hun huisje in Hollum.

Vaak ging ik met opa Ynse mee naar de groentetuin in Boomhiemke, dat was zo’n 15 minuten lopen van het dorp. Met een pasje mochten wij van de schildwacht door de versperring. Opa prikte de gaatjes in de grond langs een touwtje. Ik zette boontjes en pootte aardappelen. De tuin werd gescheiden door bossages naar het duingebied, je zag de kleine paadjes gemaakt door het wild, zoals konijnen die kwamen om te snoepen van de groenten. Opa zette wat strikken, en vaak werd er een konijn of fazant gevangen. Op die manier leerde ik veel van hem, later als oma het wild braadde op het fornuis, kreeg ik de kriebel in mijn maag, zo lekker als dat rook.

Ynze op straat

Opa Ynze de Wind loopt van huis naar zijn groentetuin nabij Boomhiemke.

Het was op een Zaterdag middag dat er een voetbal wedstrijd werd gehouden aan het einde van de badweg achter de zomerhuisjes Castor & Pollux. Er waren veel mensen aanwezig om de atleten aan te moedigen en ook een heleboel Duitse soldaten. Later in een pauze werd er een bijdrage gevraagd voor de club, ook de Duitsers gaven geld, niet wetende dat het voor onderduikers was bedoeld.

Mijn moeder Aukje had de zorg voor ons kinderen betreft het wassen en kleding maken, en zij bereide de maaltijden met oma. Ook breide moeder truien van schapenwol in ruil voor meel of vlees. Toen moeder een keer op visite kwam bij oom Kees en tante Pietje, was daar een Duitser in burger (de Oostenrijker) die een trui aan had die moeder voor Jaap had gebreid, die schijnbaar weer verhandeld was… Overal op het eiland werd wol gesponnen, ieder huis had wel een spinnenwiel waar vooral ’s avonds mee gewerkt werd, ook werd er veel schapenvlees gegeten en maakte men schapen kaasjes. Je zag dan een oude stoel hangen, met twee spijkers aan een luik van de schuur, waarop de kaasjes lagen te drogen.

Ik ging wel eens naar tante Brouwer toe (Bleeker was haar meisjes naam) die woonde in het steegje achter Herberg de Zwaan, om wat hout te hakken voor de kachel, maar als ik de kachel aan wilde maken mocht ik geen papier gebruiken want dan ging de kachel roken, dat zal wel aan de schoorsteen hebben gelegen. Op een dag toen het regende, had tante een stel pasgeboren katjes over de onderdeur op het straatje gezet, met het idee dat ze zouden verdrinken. Ze piepden hartverscheurend. Buurman Jan Bruin die naast haar woonde, zei tegen mij:” Ik zal ze wel meenemen.” wat hij er mee heeft gedaan is mij niet bekent.

huiA TANTE BROUWER

Het toenmalige huis van ‘tante’ Brouwer, nu atelier De Mispel.

Bij de jeugdherberg in de duinen stond een grote schelp van metaal, een gehoorapparaat waarmee de vliegtuigen ’s nachts werden gelokaliseerd, maar dat werd weer verstoord omdat de vliegtuigen papier strookjes met aan één kant zilver papier uit de vliegtuigjes gooiden, zodat de lucht vol zat met geritsel en de apparatuur verstoorde. De jeugdherberg in de duinen was nu een kazerne voor de Duitse soldaten, ook waren er bunkers bij gebouwd. Eens op een dag waren er twee Engelse matrozen dood aangespoeld aan het strand, die werden begraven op het kerkhof. Dus zo af en toe merkten we wat van de oorlog, we hoorden berichten op Radio Nederland op de Engelse zender, die opa en oma op zolder beluisterden. Vaak dachten wij aan vader en bekenden achtergebleven in Den Haag, die leefden in de hel van de honger en kou in het westen van Nederland.  Op een ochtend bij het ontbijt keken wij uit het raam en zagen wij bij de huisjes aan de overkant van de straat een pakje aan de deurknop hangen. Wij gingen gauw kijken of er bij ons ook één aan de deur hing. Ja hoor, en bij het openmaken vonden we een pakje roomboter. Een leuke verrassing, de gevers waren onbekend.

Een enkele keer kregen we een brief van vader die dan weken onderweg was geweest. Hij schreef van de vreselijke toestanden in de steden, maar dat hij het net kon redden. Waarschijnlijk door drukte en ondervoeding had vader het probleem dat hij door de wekker heen sliep, en zich dan vreselijk moest haasten om op tijd op zijn werk te zijn bij de politie, maar dit was nu opgelost. Vader deed een touw om zijn arm en het eind liet hij uit het slaapkamer raam hangen zodat het voor het slaapkamer raam van de familie Noordam hing, die ’s morgens op de juiste tijd het raam open schoof ( één verdieping lager) en aan het touw trok totdat vader boven uit het raam goedemorgen riep. De engelse zender melde de grote verliezen die de Duitsers leden en de bombardementen die op Duitsland werden uitgevoerd.

Op een dag kwamen Duitse soldaten aan marcheren door het dorp, en zongen de bekende liedjes, die de dorps kinderen met hun eigen Duits meezongen en zij marcheerden ginnegappend achter de soldaten aan.

Ik was met opa op weg naar Aage de strandjutter, hij woonde op de West hoek. Aangekomen stapte wij de schuur binnen. Opa zocht wat hout uit om iets van te maken. Alles wat op het strand gevonden was, lag uitgestald en werd bewaard. De zolder hing vol met touwen, katrollen, boeien, blikken bussen en houten kisten enz. Op de grond langs de wanden hingen vlaggenstokken, netten, glazen bollen, kurken enz, Ik vond het erg interessant. Op de terug weg naar huis kwamen we over het Zwaneplein en daar stond Gerrit Visser voor het hotel. Hij droeg nog altijd zijn kapiteins pet. Hij had net als opa op de grote vaart gevaren. Nu was hij eigenaar van Herberg de Zwaan. Opa maakte een praatje met hem en het ging natuurlijk over de oorlogvoering en de bevrijding. Volgens zeggen, in de nacht van 6 of 7 Maart 1945 reed een open BMW bij Woeste Hoeve tussen Arnhem en Apeldoorn, en een vuurgevecht ontstond, de verzetsgroep schoot totdat er niet meer terug geschoten werd. Volgens zeggen, doorzocht men de auto niet goed en trok zich terug, de volgende ochtend  werd ontdekt dat de auto 243 kogelgaten toonde. De  Duitse hoge officier Rauter was zwaar gewond en was nog in leven. Bijwijze van vergelding werden er door de Duitsers 263 verzet mensen gefusilleerd, van wie 117 bij het plaatsje Woeste Hoeven. Passerende mensen wreder, vast gehouden en gedwongen toe toekijken. In Amsterdam, Utrecht, Amersfoort en Den Haag herhaalde de Duitsers deze represaille. In Den Haag was een politie agent op weg was naar huis en werd door een stel soldaten aangehouden, hij stapte van zijn fiets en moest in een rij gaan staan met andere mensen. Toen werden zij neergemaaid door de Duitse soldaten. De vrouw van de agent bleef alleen achter met haar vier kinderen. Onne Reitsma was de naam van zijn oudste zoon, die in Den Haag bij mij in de klas zat. Voor de oorlog hadden we veel met elkaar gespeeld. Nu had hij zijn vader verloren. Dit nieuws kwam ons te horen in Hollum.

Anton en ik kwamen terug van een wandeling met moeder, toen we even langs Sietse de Jong gingen. Hij viste vaak op het wad. Lammetje, zijn vrouw, kwam ons al tegemoet en moeder vroeg of ze vis had. “Alleen aal.” zei ze. Moeder informeerde naar de prijs en nam een portie, die Sietse uit een ton met water schepte. Ze waren springlevend en hij deed ze in een pannetje met een deksel erop, dat pannetje moesten we terug brengen na afloop.

DE BEVRIJDING

Op school waren we zachtjes het engelse volkslied aan het leren, zodat we bij de komende bevrijding de bevrijders konden toezingen. We wisten dat het niet lang meer zou duren.

In de eerste week van April werd praktisch het hele Oosten en Noorden van ons land bevrijd. De verbinding over het IJsselmeer was verbroken. Op 9 April viel de laatste elektrische centrale in de provincie Zuid-Holland uit, en op 11 April de laatste in Noord-Holland. Er was geen brandstof meer. De water voorziening dreigde te stoppen. Het brood rantsoen werd verlaagt tot twee sneetjes brood per dag . Er was voor drie en een half miljoen mensen in West Nederland nog een minimum beetje voedsel. Vijftien duizend mensen zijn in die ene winter van honger en koude omgekomen. Maar er dreigde een nog veel grotere catastrofe, West Nederland stond  aan  de rand van de totale fysieke ondergang. In eind April bracht de geallieerden luchtmacht op een onvergetelijke dag voedsel -as manna uit de hemel- en tegelijk de zekerheid van een      komende bevrijding.

Op Maandag 7 Mei vielen op de Dam in Amsterdam nog twee en twintig doden en meer dan honderd gewonden bij een wilde Duitse schietpartij na twee dagen na de capitulatie in hotel De Wereld te Wageningen. Er werd in vijf dagen tijd, vijf duizend ton aan voedsel gedropt, dankzij de onophoudelijke druk van de regering te London waren er enorme voorraden opgeslagen in het bevrijde Zuiden van ons land. Alleen bij Oss lag al meer dan 30.000 ton aan voedsel opgestapeld. Rijen militaire vrachtauto’s stond gereed om naar het Westen te rijden zodra de Duitsers zouden capituleren, en zij deden dat om 16:30 uur vijf Mei. Toen kwamen de bevrijders.   -Algemeen Dagblad

En toen kwam het grote nieuws, Holland werd bevrijd! Maar voor Ameland zou het nog even duren. De Duitsers op het eiland ruilde pakjes tabak of shag voor een fietswiel. Zij maakten kleine karretjes, en dachten dat ze marcherend weer naar Die Heimat terug zouden keren, en zo konden ze hun spullen makkelijk meenemen. De Friese ondergrondse BS (Binnenlandse Strijdkrachten) arriveerde op Ameland, en zeiden tegen de Duitsers dat ze zich over moesten geven, dit weigerende de Duitse commandanten, zij wilden zich alleen aan de bevrijders overgeven. Toen dit later op 10 Juni gebeurde, zagen wij de Duitsers weg marcheren, richting Nes waar de boten klaar lagen om ze over te varen. Het was een treurig gezicht, de troep met karretjes, en zij zongen ook niet meer. Achteraan reed de Oostenrijker met paard en kar. Volgens zeggen moesten de Duitse soldaten hun karretjes ergens laten staan en werden in vrachtwagens geladen en afgevoerd. De BS (Binnenlandse Strijdkrachten) trok in de Duitse stellingen bij de vuurtoren en niemand mocht nog naar het Noorderstrand. De versperringen bleven nog in tact totdat alle mijnen en dergelijk dingen waren opgeruimd. In de jaren daarna maakten ik het mee dat er een stroom Duitse vakantiegangers op Ameland kwamen. Ik stond op het dek van de veerboot op weg naar Ameland toen een Duitser aan zijn familie stond te vertellen over de bezetting van het eiland en wees naar de Oost kant van het eiland waar hij over de bunkers vertelde die ze daar gebouwd hadden. Zij gedroegen zich vaak of zij de oorlog hadden gewonnen maar er waren ook Duitsers die zich schaamden. Voor jaren ergerden wij ons aan het horen van de Duitse taal. Het duurde lang voordat uiteindelijk weg sleet.

Op Zaterdag middag waren er allemaal mensen op de viersprong in Hollum want de Engelse bevrijders zouden naar het drop komen. Iedereen wachtte daarop. Op een gegeven moment kwam er een Amelander op de fiets aanrijden, en zei tegen de mensen dat zij er aankwamen. Hij zelf had mee gevochten in de oorlog. Toen hij de viersprong bereikte was het handen schudden, en toen namen een stel jongemannen hem of de schouders en iedereen juichte. Kort daarna kwam een Jeep met een paar Britse officieren de viersprong op, en wij de schoolkinderen zongen het Engelse volkslied, wat we hadden geleerd op school, en toen was het weer juichen en handen schudden.

De dag brak aan dat oom Willem op Ameland kwam om zijn kinderen Annie en Greet op te halen. In die tijd ging oom Willem ook naar de school in Hollum om de meester te vertellen dat de kinderen weer naar huis gingen.

Toen werd alles klaargemaakt voor de terugkeer. Moeder hoorde van de schipper Bruin dat hij naar Den Haag moest en dat er veel kinderen mee terug gingen die dan vanuit Den Haag door hun ouders opgehaald zouden worden. Voordat we Ameland gingen verlaten, wilde we nog even naar het Noorderstrand. Via de bekende route gingen wij, oom Willem, Annie, Greet, Anton en ik door de versperring naar het strand. Overal lagen nog de resten van de oorlog. Bommen, mijnen, wrakken enz.  in een diepe kuil met water zwom een grote paling rond, van wel twee meter. Ik vond het jammer dat ik niet een stukje koperdraad bij me had dan hadden wij hem misschien kunnen strikken. Terug door de duinen naar het drop, en opeens stonden er twee BSers ons op te wachten. Ze hadden ons waargenomen vanuit de vuurtoren, één van hen zei dat het strafbaar was om al naar het strand te gaan. “Ja” zei oom Willem “Ik wil wel mee om de straf uit te zitten bij jullie, want ik heb gehoord dat het goed eten en drinken is bij de BS.” Na dit grapje vertelde hij dat hij vanuit Amsterdam de kinderen weer kwam halen en dat we nog even het strand wilde zien. Na nog wat verhalen over de oorlog liepen we weer naar het dorp terug. Toen Annie en Greet met hun vader waren afgereisd, kwamen wij aan de beurt. De bagage en een houten bierton met water gingen mee op de boerenkar. Daar gingen we dan, moeder, Anton en ik, zwaaiend totdat wij de oudjes niet meer zagen. Voor mijn grootouders kwam nu een stilte, ook wij dachten met weemoed aan onze overleving op Ameland en waren een beetje stil. Het was nu 12 Juni 1945 en waren nu op weg naar huis, naar vader. We voerden de Waddenzee over en het was al avond toen wij het Ijsselmeer bereikten.

NAAR HUIS

We vaarden de Waddenzee over en het was al avond toen wij het Ijsselmeer bereikten. Anton en ik waren uitgespeeld op het dek en in het ruim, en waren inmiddels lekker vies geworden, maar met het water uit de bierton waren we al snel weer opgeknapt. We gingen proberen wat te slapen in het stro, bedekt met wat dekens. En zo pufte de boot verder over het Ijsselmeer bij rustig weer en een heldere nacht. Een maand daarvoor kon dit niet vanwege het gevaar beschoten te worden, gek eigenlijk, maar op dat moment was alles weer rustig. Toen het licht begon te worden, vaarden wij bij Muiden de Amstel op die op de Kagerplassen uitkwam. Wij zagen nu veel meer, hier en daar ook de beschadigingen van de oorlog. Van de Kagerplassen gingen wij het Rijnse kanaal op en voeren zo naar het eindpunt de Laakhaven in Den Haag. Wij legde aan in de late middag. Er stonden al ouders aan de kade die al heel lang hadden staan wachten, het was huilen, lachen en verhalen vertellen. De reünie van de gezinnen was natuurlijk emotioneel, na al die maanden van scheiding en het meemaken van zoveel leed.

Vader stond er niet. Wij zijn met paard en wagen verder gegaan. Toen we de Van Maerland Laan inreden, waar we woonden, stopte wij voor ons portiek. Overal kwamen de buren naar buiten om ons te begroeten, het was een fijn weerzien. De familie Brugman was ook weer thuis uit Drente, later hoorden wij de verhalen over hun hongerstocht. Mevrouw Noordam omhelsde ons en gaf moeder de huissleutel, want zij hield het huis een beetje schoon en waste voor vader.  Het bleek dat vader erg druk was en maakte lange dagen vanwege de oorlogscriminelen die berecht moeten worden. Ook deze dag kwam hij laat thuis. Toen hij even boven ging kijken lagen er drie jongers te slapen inplaats van twee. Nico die met ons mee was gereisd zou de volgende dag worden opgehaald door zijn moeder, om weer naar Rotterdam te gaan. Zijn moeder en oudere zus kwamen hem ophalen maar het was geen leuk weerzien. Nico huilde en hij herkende zijn moeder amper, en hij sprak alleen nog maar Amelands. Hij was ook nog erg jong toen hij op Ameland kwam, het bleek dat hij uit een groot gezin kwam, hij zou weer helemaal moeten wennen aan zijn familie en het stadsleven.

De volgende dag was het leuk om vader weer te zien en alles te verkennen. In een kast had vader (Sjoerd Ponne) allemaal blikken opgestapeld met biscuits en tarwekoekjes, ronde blikjes met corned beef en groenten. Het weerzien van onze vrienden was geweldig ook zij waren op het nippertje gevlucht naar familie op de Zuid-Hollandse eilanden. Het was fijn dat iedereen zo vrolijk was en veel te vertellen had, en als je zes maanden terug dacht, dan was het ongelofelijk wat er allemaal gebeurd was. Maar er waren ook droevige ogenblikken, toen we weer naar school gingen en Onne Reitsma en zijn zusjes het vreselijke verhaal vertelden van hun vader die door de Duitsers was gefusilleerd met nog andere mensen. Het was huilen met de klas genoten.

Vele mensen die de oorlog hadden overleefd, waren niet om aangezien, zo uitgemergeld als zij waren. Maar de verwrongen gezichten van droefenis en ellende, veranderde in vreugdevolle en levende gezichten, men viel elkaar in de armen en de emoties hadden ruim laan.

De overheersing van Nederland door de Duitsers heeft vele gevolgen met zich meegedragen, geestelijk of lichamelijk voor degenen die het overleefd hebben. Rijks commissaris Seyss-Inguart had alle voedsel transporten verboden na de spoorwegstaking op 17 September 1944. De hongerwinter begon in de tweede helft van September 1944en hield aan tot de bevrijding op 5 Mei 1945, voor ons op Ameland kwam de bevrijding wat later. Om het laatste gedeelte van de oorlog doorgebracht te hebben op Ameland was voor ons allen een groot geschenk uit de Hemel, waarschijnlijk hadden we het er niet levend afgebracht als wij in Den Haag waren gebleven.

Jongenspret tijdens de oorlog

Als kinderen tijdens de oorlog op Ameland hadden wij toch ook veel pret onder elkaar.

Op een morgen gingen Bertus, Voley en ik Kievitseieren zoeken in de miede (weide) bij de grieboer. Kievitseieren werd vaak gegeten. Ik sprong over een sloot en greep met beide handen een paaltje aan de andere kant van de sloot maar dat brak spontaan af, met gevolg dat mijn voeten op de walkant stonden, maar mijn rug zweefde boven de sloot, het paaltje bleef hangen aan het prikkeldraad.

De jongens lachten zich slap over deze gymnastische toer, na herhaaldelijk gezegd te hebben dat zij mij aan de andere kant overeind moesten trekken, daar ik anders in de sloot zou vallen en drijfnat zou worden, werd er uiteindelijk actie ondernomen en met een goede afloop, maar de lachbui was nog steeds gaande.

Op een Zaterdag ging ik met een stel jongens langs het heideveld (helaas is dat door de ruilverkaveling verdwenen) naar het Engelsman Duin waar we door een opening in de prikkeldraadversperring het Reddingsbootpad namen naar het Noorderstrand.

duinen 3

Het lag er bezaaid met brandbommetjes, mijnen en ander oorlogstuig. Wij raakten niets aan en bleven uit het zicht van vuurtoren want de Duitsers hadden daar een sterke kijker geïnstalleerd. Toen wij terug naar het dorp liepen, stuiten wij op een oefening van de Duitse soldaten, ze hadden hun gezichten met zwarte vegen toegetakeld en zaten achter hagen of muurtjes van de huizen en boerderijen, en schoten met losse flodders. Wij gingen er meteen achteraan en raapten de koperen hulzen op. Toen kwam er een soldaat aan, die altijd met paard en wagen rond reed. Het was de Oostenrijker die ik ook vaak in De Kuul had ontmoet, maar nu deed hij mee aan de oefening. Vanuit hun schuilplaatsen gooide de soldaten kunstbommen achterin de wagen, het was net vuurwerk, en wij vonden het een leuk spelletje en slopen achter de soldaten aan, die er niets van zeiden.

Ik speelde vaak in De Kuul met Sietse en meestal was Nico er ook, hij was een jongen uit Rotterdam maar was in korte tijd helemaal Amelander geworden. Hij was opgenomen in het gezin van Barend, de molenaar, en zijn vrouw Trijntje. Wij speelden vaak indiaantje en spraken dan onze namen achterstevoren uit. Sietse was Esties, Jan was Naj, Nico was Ocin. We gingen ook wel eens met Nico mee naar de molen, waar de oude molenaar aan het werk was, een paar dagen in de week bij wind draaide de molen. De boeren kwamen met paard en wagen onderin de molen, en met een touw en een haak werden de zakken graan naar boven gehesen. De zak passeerde twee halve luiken in een vloer, die door de zak open gingen en weer dicht vielen als de zak voorbij was. We gingen de ladder op en zagen de oude molenaar met een wit meel gezicht de zakken in een houten trechter legen, vandaar werd het graan op de molensteen gestrooid om tot meel gemalen te worden. De zakken meel gingen weer met het touw naar beneden. Boven ratelden de houten tandwielen en knerpte de as van de wieken, al snel zagen wij wit van het meel, dus beneden gekomen was kloppen en vegen geblazen. Bij bakker de Boer kreeg je voor ieder brood wat je haalde een kerfje op de kerfstok waar je naam opstond. En als je uiteindelijk wilde afrekenen werden alle kerfjes geteld en berekend. Veel boeren maakten zelf hun brood klaar, meestal roggebrood. Eén keer in de week kon je dat laten bakken bij bakker de Boer. Je zag vaak een boer voorbij fietsen met één hand omhoog, waarop hij een plankje balanceerde waar een grote kluit deeg op lag.

Ook ging ik wel eens op de West hoek bij twee broers die veel visten, een bakje garnalen halen. Thuis gekomen moest iedereen helpen pellen, en dat was niet zo gemakkelijk, in het begin braken zij steeds af bij de staart, maar later, met wat oefening, ging het beter. De garnalen werden dan gekookt waarna we ze aten met wat zout en peper op brood: een echte garnalen smaak, dat was smullen.

Een keer na schooltijd, ging ik met mijn broertje Anton naar her bos rond de vuurtoren, we hadden een bijltje bij ons, want je mocht van de Duitsers de lage taken van onderuit de dennenbomen hakken, voor brandhout. Er waren al meer jongens bezig, die maakten een bos takken met een touw erom heen. Maar ik dacht, dat zal ik even makkelijker doen. Ik zocht een niet al te dikke boom uit, en keek om mij heen, zag niemand, ook geen enkele Soldaat. Ik hakte de hele boom om, en zei tegen de andere jongens dat ze de takken mochten hebben. Toen stond er ineens een Duitse soldaat achter mij, die tierde en raasde. Ik zei in mijn beste ‘Duits’ dat het een grote zijtak was, de jongens gierde van de pret, de Duitser stapte op mij af en snauwde: ” Heraus, heraus Sweinehund”. dus vertrok ik maar. Mijn broer Anton had inmiddels de bijl al weggeschoven met zijn voet. Later toen de Duitser was vertrokken sleepte Anton en ik de stam naar huis.

Op een dag was ik de Zuiderlaan afgelopen en ging de lange weg door weiden naar de waddendijk. Er was daar een wachthokje voor een schildwacht, maar er was niemand. Ik keek naar binnen, er stond een kacheltje en een kistje met kolen. In de verte zag ik malle Ietske met een stok de koeien weg jagen, zij liep met een mand op haar rug, waar ze de gedroogde koeien vlaaien in verzamelde. Ik liep verder, een eind de dijk op in de richting van het Reddingsboot pad, naar het Zuid West, en zag dat er een mijnenveld was aangelegd op het vlakke gedeelte, waar de dijk ophield en de duinen begonnen. Er waren op het hek driehoekige gele bordjes op de palen getimmerd met een afbeelding van een doodskop erop. Op de terugweg  kwam ik weer langs het lege wachthokje gelopen, en besloot het kistje met kolen maar meetenemen, ik dacht het goed gebruikt kon worden voor oma’s fornuis. Thuis gekomen moest Opa wel lachen en zei: ” Die Duitsers hebben het ook van ons gestolen, maar jonkie kijk uit dat ze het niet zien.”